Mijn ouders zijn kwaad (deel 2)

Een Turkse man heeft altijd gelijk. Althans, zo denkt mijn vader. Dit zal ermee te maken hebben dat hij zelf een Turkse man is. Ik kreeg vroeger wel te horen dat ik Turks bloed heb, als hij bijvoorbeeld vond dat ik harder moest leren, maar zodra hij ontevreden was, werd ik opeens een Nederlander. In zijn ogen kon ik niet allebei zijn.

Dus als een Turkse journalist hem dingen over mijn boek vertelt die niet waar zijn, gelooft mijn vader die man en niet zijn eigen zoon. En nu is hij boos.

Ik weet dat ik hem moet bellen. Ik weet dat het geen fijn gesprek zal worden.

Sinds ik hem in 2019 voor het eerst in jaren opzocht, heb ik hem misschien drie of vier keer gesproken. Of eigenlijk: hij sprak, ik luisterde. Mooie verhalen over zijn jeugd, die altijd eindigden in teleurstelling. Dat hij geen dichter werd. Dat hij zijn Nederlandse gezin niet naar Turkije verhuisde. Dat ik geen leraar werd en in zijn voetsporen trad. Dezelfde grieven die ik mijn hele leven heb gehoord.

Eerst krijg ik mijn moeder aan de lijn. Twee minuten lang ben ik onafgebroken aan het woord. Mijn verhaal komt erop neer dat als ze niks positiefs kan zeggen over mijn boek, ik liever wil dat ze helemaal niets zegt.

‘Oké,’ is haar antwoord.

Ik wacht of er nog meer komt. ‘Is dat alles wat je te zeggen hebt?’

‘Je moet je vader bellen. Ik heb geen problemen met je boek.’

Ik ben met stomheid geslagen. Op WhatsApp schreef ze boos en verdrietig te zijn om alle ‘vuile was’ die ik buiten heb gehangen.

‘Geef me dan maar door,’ zeg ik.

‘Ik denk dat je hem beter zelf kan bellen.’

‘Hij zit naast je.’

‘Bel hem nou maar.’

Gekmakend, deze passieve agressiviteit. Goed, ik hang op en bel mijn vader.

Dan komt het. Hij neemt het woord en krap een half uur krijg ik er nauwelijks een zin of ademtocht tussen. Ik ben te geagiteerd om zijn verhaal goed te volgen. Zelf raakt hij ook meermaals de kluts kwijt, zo kwaad is hij. Telkens begint hij opnieuw, slaat een andere richting in, haalt dit erbij, dat erbij.

‘Heb je geschreven dat je zus lesbisch is?’ vraagt hij opeens.

‘Ja,’ flap ik eruit. ‘Maar gewoon als onderdeel van het verhaal. Het is niks groots.’

‘Voor mij is het dat wel. Ik was een beroemde man. Waar ik geboren ben, kende iedereen mij. En toen kreeg ik een dochter die lesbisch is. Dat kon ik niet accepteren.’

Ik besef dat hij ook boos is op haar, vanwege een interview dat zij gaf voor Omrop Fryslan. Een interview dat hij niet geluisterd heeft.

Ik zeg (of probeer te zeggen) dat het verleden niet ongedaan gemaakt kan worden, er zijn dingen gebeurd die hij waarschijnlijker liever zou vergeten (of is vergeten), maar die niemand kan ontkennen. Ik heb in het boek geprobeerd om op liefdevolle manier verder te gaan.

Mijn vader stoomt onverstoord verder.

En opeens heb ik er genoeg van mijn boek te verdedigen. Want het is niet het boek dat ik probeer te weerleggen, maar het woord van een mij onbekende journalist.

‘Die man probeerde mij te beschermen,’ roept mijn vader, ‘tegen mijn eigen zoon!’

Blijkbaar heeft hij mijn vader wijsgemaakt dat het boek door de Nederlandse pers is afgekraakt, dat ik niet kan schrijven, dat ik alles heb overdreven op aandringen van mijn uitgever in de hoop meer boeken te verkopen.

‘Over Turken wordt altijd gelogen!’

Volgens de journalist heb ik een schandaal ontketend in de Turkse gemeenschap. ‘Nou, ik denk dat hij een ander boek bedoelt,’ probeer ik hem te onderbreken.

Het maakt niet uit. Terwijl hij doorpraat, word ik op harde manier geconfronteerd met een realiteit die ik, sinds ik aan mijn boek begon, ongemerkt heb geprobeerd te vergeten.

Laatst zei mijn vrouw dat ik mijn vader tot op zekere hoogte heb geromantiseerd. ‘Zo lang als ik je ken, heb je geen contact gehad met je vader. Nu denk je opeens dat het misschien nog niet te laat is om opnieuw te beginnen, om een soort relatie met hem te krijgen. Waarom? Omdat hij oud is geworden en je geen pijn meer kan doen? Dat doet hij wel, elke keer als hij zegt hoe teleurgesteld hij is in zijn leven. Want jij maakt deel uit van dat leven.’

Waarom doet het nog steeds pijn om te horen dat ik hem heb teleurgesteld? Waarom ben ik er niet aan gewend geraakt? Waarom ben ik bang voor die pijn? Is dit niet volkomen irrationeel? Zijn goedkeuring zal ik nooit krijgen. Het is als bang zijn voor onweer. Onweer is ongrijpbaar, je kunt er niets aan doen. Ik  bang voor iets dat nooit zal veranderen.

Ik beëindig het gesprek door te zeggen dat ik hoop hem weer te bellen om gewoon te kunnen praten. Hij is even stil en zegt dat hij daarover moet nadenken.

‘Maar ik ben oud,’ voegt hij eraan toe, ‘en denken gaat voor mij heel langzaam.’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *